De ezel

Een paradox op poten: het zinnebeeld
van luiheid én koppig gezwoeg: evenzeer
veracht als geprezen -veracht
omdat hij de adel ontbeert van het paard, geprezen
omdat hij, met haast niets in zijn buik, veel zwaardere lasten
dan welk ander dier langs de moeilijkste paden sjouwt.

Dom heet hij te zijn, onwaardig en eigengereid,
deze dromer met zijn fluwelen ogen,
op wie men (maar dat geldt voor alle
dromers) nooit helemaal staat kan maken – niettemin:
ik denk dat zijn B.Q. (betrouwbaarheidsquotiënt)
door de meesten van ons op geen stukken na wordt benaderd.

Bovendien: men heeft het hem nooit zo gemakkelijk gemaakt:
geen dier zo geschopt en geslagen als hij,
die het kruis op zijn schouders al eeuwen
meetorste eer hij Christus naar Bethlehem droeg,
op dezelfde rug waarop hij reuze steenblokken
naar de graven van Khefren en Cheops had gesjokt.

In Rome stonden zijn bloed, urine en zweet
als geneesmiddel hoog genoteerd; ook de melk
van zijn wijfje was zeer gezocht:
Popeia ging nooit op reis zonder haar vierhonderd
zogende ezelinnen, beslagen met goud,
en getooid met juwelen: een vrouw moet zich kunnen baden.

Voor de westerse mensen was hij later niet fier genoeg;
nu, waar die fierheid toe leidt, hebben wij
aan den lijve ondervonden –
‘hij draagt zonder rusten zijn lasten, stoort zich aan kou
noch hitte en is steeds tevree,’ zegt een Indische spreuk:
het wordt tijd om de ezel in ons wat meer te gaan eren.

C. Buddingh, Gedichten 1938/1970, Amsterdam, De Bezige Bij, 1971

Dit bericht is geplaatst in C. Buddingh, Gedichten, Leed met de tags . Bookmark de permalink.