De rol van vis in de bijbel


Het meer van Tiberias (Johannes 6:1)ook wel  dat van Gennesaret (Lucas 5:1) of van Gallilea (Matteüs 4:13) genoemd, was een belangrijke voedselbron voor het joodse volk. Het is een groot meer, twintig kilometer lang en acht tot negen kilometer breed en wordt daarom ook wel ‘zee’ genoemd. In het Hebreeuws en Aramees  wordt voor ‘zee en ‘meer’  hetzelfde woord gebruikt.

Een van de steden rond het meer was Betsaïda, wat ‘vissershuis’ betekent. Jezus’ leerlingen Filippus, Andreas en Petrus waren uit deze stad afkomstig  (Johannes 1:44).

De oproep van Jezus: ‘Komt, volg mij: Ik zal u vissers van mensen maken’ (Matteüs 4:19) doet de vissers besluiten hun netten in de steek te laten en Jezus te volgen.

Johannes verhaalt  hoe zij  bij het meer van Galilea, bij Tiberias er een grote menigte naar Jezus toekomt. Er is een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen. Jezus deelt brood en vissen uit en er blijven, nadat de mensen verzadigd zijn, nog zoveel brokken brood over dat ze er twaalf manden mee vullen (Johannes 6: 1-15). Na de opstanding ontmoet de Heer zijn leerlingen bij het meer van Tiberias, nadat hij hun aanwijzingen had gegeven waar te vissen om een goede vangt te  krijgen.

Wetend dat het de Heer was, durfde  geen van de leerlingen Hem te vragen: ‘Wie zijt gij?”. Jezus trad dichterbij, nam het brood en gaf het hun, en zo ook de vis. (Johannes 21:1-14)

Het verhaal van Jona in de buik van een vis toont gelijkenis met de dood en opstanding van Jezus (Jona 2: 1-11)

De Heer liet Jona opslokken door een grote vis. Drie dagen en drie nachten zat Jona in de buik van de vis . Toen begon hij inde buik van de vis tot de HEER, zijn God, te bidden (…)  Toen, op bevel van de Heer, spuwde  de vis Jona op het land.

Dit bericht is geplaatst in Delen, Meditatieve tekst met de tags . Bookmark de permalink.